Schrijfzondag: Nooit gedacht

Schrijfzondag: Nooit gedacht

‘Ik heb nooit gedacht dat je me zou vergeten.’ Zijn ogen schoten achterdochtig door de kamer, alsof hij iets zocht uit hun gezamenlijke verleden. Maar we wisten allebei dat hij het niet zou vinden.
Toen bleven zijn ogen op de doos achterin de kamer hangen en ik slikte. Of misschien toch ook wel. Het kartonnen ding moest naar de zolder bij mijn ouders, maar ik was er nog steeds niet aan toe gekomen. Of eigenlijk was een betere omschrijving: ik had geen zin om mezelf ermee bezig te houden. Het was zes jaar geleden toen ik hem voor het laatst gezien had. We waren allebei zeventien. Zeventien en leefden in onze droomwereld. Kinderen nog, al vonden we onszelf heel wat als we ’s avonds over straat liepen, spuitbussen verf leegden op bakstenen in alle varianten, als we weer eens onze spullen achter moesten laten, omdat de politie eraan kwam. Een wonder dat we nooit opgepakt zijn. Of: ik niet. Van hem kon ik dat niet zeggen.
Volgens de roddels was hij meerdere keren voor een tijdje achter de tralies beland. Elke keer als ik de verhalen hoorde, werden ze wilder, heftiger. De laatste versie was moord. Maar dat kon ik me van Dorian niet voorstellen. Niet van hem, hij met zijn zachte handen, met zijn intelligente opmerkingen. Hoe kon zo iemand een brute moord plegen? Ik kon me niet voorstellen dat hij iemands – wie dan ook – keel door kon snijden.
Ik hield mijn hoofd schuin, terwijl ik naar hem keek. Hij was volwassen geworden. Zijn kaaklijn was duidelijker zichtbaar, nu met stoppels. Zijn bruine haar was korter dan ik ooit gezien had en toen hij een hand door zijn haar haalde, zag ik een stukje van een tatoeage onder zijn korte mouw uit kruipen. Zes jaar geleden was hij bang geweest voor naalden, was hij een schriel kippetje geweest. Nu was hij een en al spier, een hard mannenlichaam.
‘Ik ben jou namelijk nooit vergeten, Flora.’
De enige jongen die mijn naam zo uit kon spreken, alsof hij van fluweel gemaakt was, was hij. Was Dorian.
Ik beet op mijn nagels en ik wist dat ik twee opties had. Of ik vertelde hem de waarheid, iets dat alles kapot kon maken. Of ik loog, maar dat kon ook alles kapot maken. In elk geval mijn geluk, want ik wist wat hij zou doen. Ook al had hij niets gezegd, ik wist dat als ik nu nee zei, ik hem nooit meer terug zou zien. Was dat wat ik wilde?
In plaats daarvan flapte ik er heel wat anders uit. ‘Ik heb de verhalen over je gehoord.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge