Schrijfzondag: Leugenaar?

Schrijfzondag: Leugenaar?

En toen was de schrijfzondag wel erg lang geworden. Woeps. Ik ben trouwens in twijfel of ik hier een verhaal van ga maken, maar eerst maar eens wat afmaken. In elk geval is dit voor de verandering dus eens echt een lange. 

Schermafbeelding 2016-08-14 om 14.21.58

Thuis. Ik was weer thuis. Ik had maanden in de grote stad gewoond, maar er ging niets boven mijn geboortedorp. Zo snel als mijn benen me konden dragen, liep ik naar het smalle huis van baksteen dat aan het meer stond. Vroeger was ik hier met mijn ouders heen gegaan, daarna met Oscar, maar nu … nu was ik alleen. Alleen met mezelf en een stapel notitieboekjes, klaar om de bestseller te schrijven waar ik al een jaar of tien mee in mijn hoofd liep. Vroeger zou ik deze gedachte doodeng gevonden hebben, maar nu was het een bevrijding.
Mijn ouders zouden over drie weken komen, na hun reis door Azië. Ik had ervoor gekozen om niet mee te gaan, want ik had niets gevoeld voor zo’n luxe reis. Ik was liever hier. Hier in het armoedige vakantiehuis dat we van mijn grootouders geërfd hadden waar we heen gingen toen we nog niet konden zwemmen in het geld. Het winnen van de Staatsloterij had me doen beseffen dat het hebben van geld voor meer nadelen zorgt dan je vantevoren verwacht. En mijn ouders hadden het gevoel dat ze nu al die dingen moesten doen die ze vroeger nooit hadden gedaan. Het voelde niet terecht dat zij – wij – ineens multimiljonairs waren door iets als geluk.
Het had ons veranderd en niet in positieve zin. Ik was blij dat ik naar Londen had kunnen ontsnappen in de hoop dat alles normaal zou zijn als ik thuis kwam. Maar dat zou nooit meer gebeuren.
Met een plof kwam mijn kleine weekendtas op de houten vloer in de smalle gang terecht. Het enige dat ik eruit haalde, was een handdoek. Ik trok mijn broek uit, maar ik hield mijn T-shirt aan. Op het laatste moment besloot ik om een notitieboekje mee te nemen naar het privé-strandje achter mijn huis. Achter de paar huizen die op dit stukje aan het meer lagen.

‘Lauren?’
Ik had nog geen voet op het strand gezet toen mijn naam geroepen werd door een stem die ik zou moeten kennen. Door een stem die ik herkende. Ik zou uit duizend mannenstemmen weten van wie deze ietwat schorre stem was. Hij klonk nu niet meer als een kleine jongen, maar als een vent die teveel van feestjes houdt. Mijn wangen werden rood en ik wilde me niet omdraaien. Maar ik wist dat ik dat niet kon maken. Dus probeerde ik om hem zo verward en zo verbaasd mogelijk aan te kijken, alsof ik geen idee had wie hij was. Chris. Christopher, afgekort tot Chris.
Zijn ogen schoten over me heen, probeerden in zich op te nemen hoeveel ik veranderd was in de afgelopen tien jaar. Van sprieterige twaalfjarige naar een jonge vrouw met rondingen op alle juiste plekken. Met borsten die ik toen absoluut niet gehad had. Even keek hij naar mijn niet zo platte borstkas en toen ontmoeten zijn ogen die van mij.
Maar ook hij was niet meer die veertienjarige jongen die best wel leuk was. Hij was nu een ongelofelijk lekker ding met een gespierd lichaam waar je ‘U’ tegen zei, een warrige volle haardos die bruiner was dan ik me herinnerde, volle lippen. Aan de zijkant van zijn onderlip, zag ik een dun ringetje. Als veertienjarige had hij ook geen lippiercing gehad. Maar goed, de meeste piercers deden het niet bij een jongen van veertien. Op zijn kaken zag ik de zweem van een driedagenbaardje waar ik altijd knikkende knieën van kreeg en hij was geen uitzondering. Maar misschien kwam dat ook wel door zijn groenblauwe ogen, het enige dat nog hetzelfde aan hem was, het enige dat hij ook als kind gehad had. Verder was hij … opgegroeid. Net als ik.
‘Je hebt echt geen idee wie ik ben? Geen enkele clue?’ zei hij toen zachtjes. ‘Lauren?’
Een teken dat ik hem verward genoeg aankeek, dat het werkte. Ik wilde niets liever zeggen dan dat ik hem herkende, dat ik hem altijd zou herkennen. ‘Je zou denken dat de verwarde blik en die glazige ogen die vraag al beantwoordt hebben. Maar blijkbaar had ik het mis en heb ik je te hoog ingeschat.’ De woorden waren mijn mond uit voor ik ze tegen had kunnen houden en misschien wilde ik dat ook wel niet.
Zijn ogen werden groter en toen schudde hij zijn hoofd. ‘Het bestaat niet dat je me niet meer herinnerd. Bovendien kun je niet liegen, Ren.’
Bij die woorden slikte ik, terwijl ik de tintelingen in mijn lichaam probeerde te negeren. Hij was de enige die me ooit Ren had genoemd. De meesten kortten mijn naam af tot Lau.
‘Dat is misschien wel het enige dat niet anders geworden is,’ zei hij toen en ik meende dat er een zucht over zijn lippen kwam. ‘Verder ben je totaal anders.’
‘Jij ook,’ piepte ik en ik vervloekte mezelf van binnen, omdat ik klonk alsof ik een piepspeeltje van de hond opgegeten had. Ik wist dat ik niet kon liegen, hoe ik mijn best ook deed. Maar de mensen lieten me geloven dat ze dachten dat ik de waarheid sprak. Chris was de enige die me erop wees als ik een leugen vertelde. Chris was mijn beste vriend geweest toen, mijn soulmate. En toen was hij verhuisd en verdwenen of hij van de aardbodem gevallen was. Zelfs online was hij nergens.
Het leek of het lichtjaren lang stil was, maar waarschijnlijk was het niet langer dan twee minuten dat we elkaar aan stonden te gapen. ‘Je weet wie ik ben, toch?’
‘Ja, ik weet wie je bent.’ Natuurlijk weet ik wie je bent. ‘Zoveel ben jij nu ook weer niet veranderd. Alleen een beetje.’
Hij grinnikte. ‘Leugenaar.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge