Hoofdstuk 1, De juiste keuzePosted on September 8th, 2009 @ 10:30
1
“Jij hebt lang pauze genomen. Toch minstens drie kwartier.”
Het klinkt als een verwijt en ik vermoed dat het zo ook is bedoeld. Sofie kijkt mij boos aan. Sofie, de collega die het minst geliefd is. Ze heeft verhalen over haar gehoord die er niet om liegen. Zelf heb ik nog geen aanvaringen met haar gehad, maar dat zal ongetwijfeld nog gebeuren.
“Het was drie kwartier, ja. Drie kwartier en vijf minuten.”
Sofie knijpt haar ogen samen, terwijl ze haar armen over elkaar heenslaat.
“Je hebt recht op een halfuur, dertig minuten en geen seconde meer. Je kunt niet alles maken. Je bent maar een stagiaire.”
Het klinkt dreigend. Alsof ze me dingen kan maken, omdat ik hier geen vast contract heb.
“Ik werk over”, zeg ik snel en ik hoor de toon in mijn stem.
Een onderdanig toontje. Ze heeft het ook gehoord, want er speelt een hele kleine glimlach om haar lippen.
“Natuurlijk werk je over. Ik had niet anders verwacht, Mereltje.”
Ik wil roepen, gillen dat ze me geen Mereltje moet noemen, dat de naam Merel is, maar ik houd me in.
Zwijgend gooi ik mijn tas op mijn bureau en ga er weer achter zitten. Was dit mijn eerste aanvaring met haar, de heks van de afdeling? Ik zit hier nu een maand en ik heb die maand overleefd zonder conflicten, maar ik wist dat dit een keer zou gaan gebeuren. Alleen wanneer, dat wist ik dan weer niet. Zo snel had ik het niet verwacht.
Ze houdt me de hele middag met argusogen in de gaten. Ze zegt niets, maar ik zie een boze blik in haar ogen. Een paar keer loop ik naar het toilet om te kijken of mijn mascara en oogpotlood niet zijn uitgelopen. Ik heb regelmatig dat mijn hele wangen zwart zijn. Dat krijg je wanneer je natte ogen hebt. Ik kijk naar mezelf in de spiegel en zucht. Pukkels op mijn kin, te ronde wangen en te grote ogen. Ik heb heel vaak van mensen gehoord dat ze mijn ogen zo mooi vinden. Vooral vriendjes hebben heel vaak verzucht dat ze mijn ogen ‘zo mooi vonden dat ze erin wilden verdrinken’, of iets in die trant.
Sofie is mooier en dat weet ze. Ze weet dat ik geen concurrentie op dat vlak vorm, maar ze doet wel naar. Misschien is ze bang dat ik slimmer ben, maar daar hoeft ze niet bang voor te zijn. Ik ben maar de stagiaire en ze werkt hier al vijf jaar, zolang als het bestaat. Waarom zou ze dan bang moeten zijn dat ik haar plek inpik? Mike zal me toch nooit voor vast aannemen, ik ben niet mooi genoeg. Mike neemt alleen mooie mensen – vooral vrouwen – aan. Op de redactie van Rebelle loopt geen lelijk iemand rond. Niemand. Zelfs de twee jonge mannen van de ict-afdeling zijn mooi. Ik ga op mijn tenen staan om op die manier mijn billen te bekijken, om ze dunner te wensen, om ze zo dun als die van Sofie te krijgen. Ik weet alleen dat het geen zin heeft. Om ze zo dun als die van haar te krijgen, moet ik in de sportschool gaan wonen. De spiegel hangt te hoog. In de gang hangen een paar lange spiegels, maar daar kan ik niet uitgebreid staan kijken. Alle afdelingen kijken uit op die gang.
Ik doe nog een poging om ze te bekijken, alleen dan verlies ik mijn evenwicht. Als in slowmotion zie en voel ik mezelf vallen. Een doffe bons en een scherpe pijn door mijn enkel zijn het teken dat ik op de grond beland ben.
Ik vervloek mezelf, omdat ik weet dat ik niet goed ben in evenwicht bewaren. Niet op hakken, maar ook niet op platte schoenen. Er zijn heel wat keren geweest dat ik gewoon omviel zonder er iets voor te doen.
Ik vervloek de hakken aan mijn voeten, omdat ik er gewoon niet op kan lopen. Ik krabbel overeind. Alleen de pijn in mijn enkel maakt het onmogelijk om rechtop te blijven staan en ik laat me weer zakken. Hoe kom ik weer terug op mijn plek? Hoe kom ik thuis? Heb ik hem gebroken?
De vragen buitelen over elkaar heen in mijn hoofd, maar er komt geen antwoord. Dan vliegt de deur open. Mike stapt naar binnen en dan gaan zijn ogen naar mij toe. Verbaasd kijkt hij naar mij op de grond.
‘Geweldig, dat kan er ook nog wel bij. Waarom stapt hij binnen en niet iemand anders?’
“Waarom zit je op de grond, vogeltje?”
Meteen de eerste dag kreeg ik een nieuwe bijnaam van Mike: Vogeltje.
Ik haat bijnamen, maar dat heb ik nooit tegen Mike gezegd. Hij schijnt nogal grillig te zijn. Ik heb mijn mond gehouden en geglimlacht.
Sofie noemt me Mereltje en Mike Vogeltje. Ik vind beide namen niet erg fijn, maar als ik moet kiezen, dan klinkt Vogeltje beter. Misschien wel omdat het Mike is.
“Omdat…”, zeg ik, terwijl ik geen idee heb wat ik verder kan zeggen.
‘Omdat ik mijn billen wilde bekijken en ze slanker wilde wensen.’
“Omdat ik uitgleed”, zeg ik en ik haal mijn schouders op. “Alleen ik heb een zere enkel en ik kan er niet meer goed opstaan.”
Mike steekt zijn hand uit naar me en ik pak hem dankbaar aan.
“Leun op mij.”
Het is een bevel, maar ik volg het maar al te graag op.
In zijn kantoor gebaart hij naar zijn stoel achter het bureau.
“Leg je voet maar op het bureaublad. Dan zal ik even ijs halen.”
Hij schuift wat papieren opzij en hij loopt weg. Ik wurm mijn voet uit mijn zwarte lakpump en leg hem op tafel. Ik voel hem langzaam dikker worden. Ik heb mijn voet vaker verstuikt en ik weet dat dit duidt op een verstuiking. Ik kan mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Waarom ben ik zo onhandig? Ik sluit mijn ogen, terwijl ik de pijn in mijn voet probeer te negeren.
Ik ben hier al een paar keer gevallen in de gang, een keer op de parkeerplaats en een keer in de hal. Ik heb er nog geen ernstige verwondingen aan over gehouden.
In mijn vriendenkring sta ik ook bekend als ‘onhandig en lomp.’
Ik kan er gewoon niets aan doen.
“Merel?”
Geschrokken open ik mijn ogen weer. Mike staat voor me met een grote zak ijs.
“Gaat het?”
“Ik…euh…ja, hoor.”
Hij glimlacht even. Waarom is me nooit opgevallen dat hij zulke witte tanden heeft?
‘Ik ben niet echt in de gelegenheid geweest om daar op te letten.’
Hij legt dan de zak ijs voorzichtig op mijn voet. Ik wil een gil geven, omdat het zo koud is, maar ik houd me in. Ik kan hier niet gaan roepen dat het ijs in de zak zo koud is.
“Ik denk dat je hem verstuikt hebt.”
“Dat weet ik wel zeker,” zeg ik somber. “Ik heb mijn voet eerder verstuikt en ik weet hoe het voelt en hoe lang het kan duren.”
Mike glimlacht even.
“Ben je zo’n kluns dan?”
Ja, ik ben een kluns, een gigantische kluns. Ik kan overal over vallen. Iedereen in mijn vriendengroep weet het, maar wil ik dat mijn baas het ook weet? De persoon die ervoor kan zorgen dat ik mijn diploma niet haal.
“Een beetje,” zeg ik dan.
Ik kan niet liegen, want hij zal me vast weleens vaker hebben zien vallen in het gebouw. Afzwakken kan ik het echter wel. Ik hoef niet alles te vertellen, toch?
Mike grijnst en ik glimlach als een boer met kiespijn. Ik vind het totaal niet leuk, terwijl de mensen om me heen het altijd hilarisch vinden.
Mike buigt zich naar mijn voet en dan komt hij zo dichtbij dat ik zijn aftershave kan ruiken. Bij veel mannen hangt een hele walm om ze heen. Mike heeft een subtiele geur op die je alleen ruikt als je dichtbij komt.
Ik krijg kippenvel op mijn armen. Hij is vlakbij me en ik wil hem wegduwen, maar ik doe het niet. Hij zou me raar aan staan te kijken. Mike is het prototype van de reclameman: glad, glibberig en ontzettend arrogant.
Reclamemannen zijn meestal knap en dat is hij hij helaas ook. Ik haat arrogante mannen, maar ik ben dol op knappe mannen. Helaas zijn de knappe mannen ook de arrogante in mijn wereld. Mike is het allebei. Ik voel me nooit op mijn gemak bij hem en nu nog minder.
“Dat ziet er niet goed uit, Vogeltje. Moet je er niet door een deskundige naar laten kijken?”
“Nee, dat is niet nodig, denk ik. Ik heb het eerder gehad.”
“Ben je toen naar de dokter geweest?” vraagt Mike scherp.
“Ja. Alleen het leverde weinig op.”
Ik haal mijn schouders op.
“Ik vind dat je moet gaan en ik ben hier de baas…”
“Best”, zeg ik timide.
Hij helpt me overeind. Ik wil mijn pump weer aantrekken, maar hij houdt me tegen.
“Ik denk niet dat je daar nog op kunt lopen. Het lijkt me trouwens ook niet verstandig. Hoe hoog zijn die hakken?”
“Tien centimeter. Hoe kom ik nu buiten? Op mijn sok?” vraag ik.
Het lijkt me niet erg aantrekkelijk om op sokken naar buiten te lopen. Daar zit ik niet op te wachten.
Hij pakt de pump van het bureau en duwt hem in mijn hand.
“Leun maar op mij zodra we buiten zijn. Of heb je er binnen ook problemen mee om op iets anders dan schoenen te lopen?”
“Nee.”
We lopen zwijgend naar het kantoor waar Sofie ons verbaasd aankijkt als we binnen komen. Dan herstelt ze zich en tovert ze een glimlach op haar gezicht.
Ik hink naar mijn bureau en zoek mijn lippenbalsem, mobiel en flesje water tussen de rommel op mijn bureau en prop ze in mijn tas. Ik wil nog een poging om alles op te ruimen, maar Mike schudt zijn hoofd.
“Laten we gaan.”
“Gaan waarheen?” vraagt Sofie met een onnatuurlijke stem. “Het is nog geen tijd. Het is net half twee geweest. Je hebt een afspraak om vier uur, Mike.”
“Zeg die afspraak maar af en zeg dat er een noodgeval tussendoor is gekomen. Merel moet naar de dokter.”
“Waarom?”
“Ze heeft haar enkel verstuikt en ik breng haar.”
Ik zie de glimlach een beetje vervagen, maar ze houdt hem op haar gezicht.
“Kom, Merel. Neem je spullen mee.”
We zwijgen allebei tijdens de korte rit.
“Ik denk dat we het beste naar de eerste hulp kunnen rijden.”
“Zo ernstig is het niet!” roep ik uit. “Kunnen we niet gewoon naar mijn huisarts?”
“Heeft die nu tijd dan?” vraagt Mike sarcastisch, terwijl hij naar me kijkt. “Ik dacht dat huisartsen het zo druk hadden.”
Hoe moet ik dat nu weten?
“Geen idee. Ik kan even bellen.”
“Doe dat maar.”
Ik graai mijn mobiel uit mijn tas.
“Met Merel Vervoord. Ik zou graag zo snel mogelijk langs willen komen. Wanneer heeft u een gaatje?”
De huisarts glimlacht naar ons, terwijl ik opsta. Mijn voet is ingetapet en ik moet mijn voet zo min mogelijk gebruiken.
“Voorzichtig doen vanaf nu en je rust nemen”, zegt hij. “En zulke hakken kun je voorlopig niet aan. Geen wonder dat je je enkel verstuikt hebt.”
“Ik ben gewoon uitgegleden,” zeg ik, opnieuw mijn hakken verdedigend.
Ik dacht dat mannen zo dol op hakken waren? Ik heb al twee mannen gehoord die het blijkbaar niet vinden.
“Houd u haar maar een beetje in de gaten,” zegt de arts tegen Mike. Hij geeft me een paar krukken. Ik kijk er somber naar.
“Zal ik doen,” zegt Mike met een lachje. “Kom, Vogeltje.”
We geven de huisarts een hand en dan staan we weer buiten.
“Ik breng je wel naar huis.”
“Het is pas half vier. Ik kan nog best naar kantoor!” protesteer ik.
“Ja, dat kan, maar ik breng je thuis. Wat is je adres?”
Ik geef het hem.
“Alleen mijn fiets staat nog bij het kantoor.”
“Dan halen we die eerst toch even op. Ik trek de benzine wel af bij de belasting onder het mom van werk.”
Hij knipoogt naar me en een wee gevoel verspreidt zich vanuit mijn buik omhoog. Een vreemd gevoel dat ik herken.
“Wat wil je terug als bedankje voor alles wat je vandaag voor me gedaan hebt?” vraag ik als we voor mijn huis staan.
Ik heb verhalen gehoord dat hij al een aantal keer met een stagiaire het bed heeft gedeeld. Niet alleen met stagiaires overigens. Ook met andere vrouwelijke personeelsleden. Mike de hoofdredacteur die macht en aanzien heeft.
“Hoezo? Wat zou ik als bedankje willen dan?” vraagt Mike, nog steeds met een grijns om zijn lippen. “Je hebt zeker verhalen over me gehoord van mijn medewerkers?”
“Ja,” zeg ik.
Ik kan het niet ontkennen. Waarom zou ik het ook willen ontkennen? Hij komt er toch wel achter.
Hij begint te lachen en vult de auto met zijn lach.
“Je kunt als bedankje met me uit eten gaan. Vanavond.”
3 CommentsLast commented by: Suzanne Meike Larissa
De letterbende
). Mijn dagen bestaat op het moment uit slapen, lezen, schrijven (vaker niet dan wel) en doelloos rondsurfen tot ik een ons weeg. Ik geniet wel van mijn vakantie, hoor. Alleen iets te goed, denk ik.
Wist niet tot wanneer dat kon en de school is dicht tot 6 mei helaas. Ik hoop echt zo dat ik hem mag doen he! Het toetsbureau heeft niet laten weten tot wanneer het kon, zelfs niet na een mailtje van mij. Stomme mensjes. Duim dat ik hem mag doen, ik had een 1.3. Oeps!